HOOFDSTUK XIV.
Midden in het bosch, aan de grens van het Nervische gebied, was Sogol ’s morgenp ontwaakt, door een snijdende pijn in de polsen. Hij had gedroomd, dat een kobold hem met een zwaard de handen afsloeg.
Toen hij ontwaakte bemerkte hij, dat hij in een donker vertrek was en dat zijn polsen en enkels gebonden waren met dunne, snijdende riemen.
„Harimona!” riep hij.
Zijn stem klonk hol en daaruit leidde hij af, dat hij zich in een gewelf bevond.
„Haun!” riep hij, „HaunI Haunl”
Maar hij kreeg geen antwoord. Hij trachtte zich nu op te richten, maar hij ervoer, dat hij ook met een riem, die om de bovenarmen liep, ruggelings aan den grond was bevestigd.
Hij rukte even met zacht geweld om de kracht zyner boeien te meten. Ze waren zoo sterk, dat hij er niet aan behoefde te denken, ze stuk te trekken.
Het was zwart duister om hem heen, zonder zelfs een schemer licht. Sogol begreep, dat hij gevangen genomen moest zijn tijdens zijn slaap; dat men hem geboeid had en dat Harimona en Haun eveneens óf gevangen óf verjaagd waren. Meer kon hij niet te weten komen. Het beste was zich kalm te houden en af te wachten. Yoorloopig overtuigde hij zich ervan of hij nog ’t gebruik van al zyn ledematen had, Ja, zyn knieëen kon hy nog buigen, zijn vingers bewegen en behalve het schrijnen van de striemen der riemen om zijn polsen,, voelde hij geen pyn. Maar wel was zyn keel droog en had hy een grooten dorst. Doch