165
graan van het Paarden-eiland aan de korrel en wist heel goed te onderscheiden wat Batouwsche tarwe was en wat niet.
Sigbert en zijn mannen, na de gelukkig volvoerde strooptocht, leefden met het geborgen graan nu in hoop en verwachting. Het graan was gelijkelijk verdeeld onder de honderd mannen van de saks en de zakken waren verbrand. Maar het gouden graan was behouden door de vier mannen, die door het ijswater naar de schepen gezwommen waren en zoo dan bezat Reri een halve zak van het goudgraan.
Zij hadden het in een houten bak gestort, ’t zorgvuldig bedekt met lijnwaad, zorgend dat het niet bevriezen kon en ook niet te warm stond. En den heelen winter spraken ze over het zeldzame graan, Sigbert, Reri, Tjeerd en moeder. Zjj berekenden hoe veel land ze er mede zouden kunnen bezaaien, zaten te redeneeren over de opbrengst. Of het groote aren zouden worden of kleine. Of het stroo ook zoo geelgoud zou zijn?
Sigbert vooral had veel hoop op ’t gewas. Hij kon lange poozen voor ’t haardvuur zitten met de zaadjes in zijn holle hand, ze zachtjes, als streelend, bevoelend met zjjn wijsvinger, ze met de hand hoog en neder bewegend, zoo de zwaarte keurend. Hij had al de korrels geteld, maar daar zjjn kennis der getalnamen niet zoo ver reikte, had hij bij elk honderdtal een bekenden naam genoemd. Het eerste honderdtal heette, de saks; het tweede, de Batouwer; het derde, de meent; het vierde, de made; het vijfde, Thius; het zesde, Wotan; het zevende, Donar en zoo maar voort. Soms was hij ’s nachts opgestaan, beangst door een droom, dat muizen of ratten aan het graan knaagden of dat Grendel het bezijkte of dat Tjilbard op het ros Zeven kwam aangereden en de geroofde zakken terughaalde, geholpen door Istovar en Herebaeld. Dan rakelde hij in ’t haardvuur, tot het hout opvlamde en de hut in een goudrossen lichtgloed zette en hij begon het honinggraan na te tellen, zachijes by elk hoopje van honderd prevelend: de saks, de