164
begon het te dooien. En het ijs en de sneeuw smolt, zoodat de sporen werden weggewischt."
„Waarom hebben de skigge niet eer jollen naai- land gezonden met graan?”
„Heer, in den nacht was ’t weer omgeslagen en het getij gaan werken. Anders hadden de roovers nooit de skig kunnen bereiken... en dan juist de beroofde skig had zich al een heel eind naar de kust doorgeslagen... Het was de rijkstbeladen skig en de roovers hebben ook de twee zakken met zeldzaam honiggraan gestolen, die de koning der Pieten had medegegeven ...”
Koning Tjilbart liet den schipper van de skig tot zich roepen. De man kon weinig meer vertellen dan de afgezanten. Maar hij bracht de gebroken saks mede, die op de skig gevonden was.
De koning bekeek de saksi) en vroeg:
„Is dat niet een saks, zooals de Batouwers die gewoonlyk dragen ?”
„Ja heer.”
„Kunnen dan Batouwers de roovers zyn geweest?” •
„Ik weet het niet, heer. Niemand heeft ze gezien.”
Nu zond koning Tjilbart verspieders naar de Batouw. Maar zij konden niets ontdekken. De Batouwers hadden veel van honger en koude te lijden gehad en nu het dooide, leden zij nog veel van den honger. Maar van een rooftocht en van gestolen graan wist niemand.
Koning Tjilbart, hoewel in zijn hart overtuigd, dat de Batouwers den roof hadden gepleegd, kon niet tot een bestraffingstocht bevel geven.
Maar hij wachtte vastbesloten om tegen het voorjaar nogmaals verspieders te zenden. Men kende het schoone
!) De saks was gewoonljjk een soort wigvormig kortzwaard. Ons woord zeis schjjnt er van af te stammen. De wapens waren echter voor elke streek anders. De saks der Batouwers van 150 v. Chr. heb ik mj gedacht als een soort speerbjjl, in saks een stam ak of hak zoekend en deze weder verbindend met haaks of hoeks.