161
Hij blikte op en in zijn oogen lag teederheid en dankbaarheid, maar hij bleef bedroefd.
„Zonder het geheim weten, is alles een nutteloos spel, myn zoete troosteres. Hoe kan het leven licht zijn, wanneer over elke daad, elke vreugde, elke gedachte de schaduw ligt van een onzekere toekomst? Wat is het leven waard, ook het leven van macht, eer, aanzien, weldoen en liefde, wanneer alles een vergankelijk tijdverdrijf is en elk oogenblik een
afsterven____ Ik ben bang Harimona.... o, ik ben zoo
bang voor den dood!”
„Du, mijn moedige, moedige, moedige held!”____
„Ja Harimona----ik ben bang----Al mijn koenheid is
angst, lafheid, vrees, voor dat donkere van 't einde.... Ik wilde, dat ik dijne gelatenheid had en dyne moed voor
’t komende.... Ziet di daar den. ingang van de grot____
Zoo is de dood----En dijne hoop en dijne verwachting is
een wondere grot met druipend edelgesteente tot behang
en een grooten kabouter, die daar heerscht____Maar mijn
verwachting is de zwarte poel, waarin wij allen moeten verdrinken, en in den hoek liggen onze geraamten bij onze
aardsche schatten----Iets mijn geliefde in mij is, is maar
grooter dan mijn verlangen, naar het weten van daar
gindsch____dat is mijn vrees voor dat zwarte. En tusschen
verlangen en vrees leef ik, zoekend zooals ik straks zocht in het duistere hol, waar alles anders is dan de waarheid,
tot de stem die hulpe brengt toe____en die waarheid zelf
een ontnuchtering----”
Hij stond op en leunde op zijn zwaard.
„Maar ik wil moedig blijven, tot het uiterste mjn lieve
jonkvrouw____ Mijn heilige, hooge, goddelijke maagd....
kom.... kniel niet bij mij, maar sta recht naast mij.... Ik ben die grot ingegaan met geen ander wapen dan mijn zwakke toorts en mijn koenen wil, niet te vreezen voor mijn eigen verbeeldingen... De mensch, die voor den dood
vreest is als de haas, die vlucht voor zijn schaduw____
GERMANIA II.
11