163
„Dat heb ik gemerkt, toen du mi' in ’t water wilde stooten... En wat is dat? En wat is dat?”
Sogol, nu trappend tegen de urnen en de steenen bylen, vermoedend dat dit de buit van den roover was, omknelde de armen van den gevaarlijken moordenaar nog vaster. Want minder voor zichzelf dan wel voor Harimona vreesde hij, wanneer de roover mocht ontsnappen.
Van uit de verte klonk een angstig geschrei, dat zich herhaalde en in de gewelven voortschalde van muur tot muur. Daarna de eerste schallen van een Nervisch deuntje.
„Hierheen, hierheen!” riep Sogol.
Maar Haun, die op Harimona’s bevel met een bundel kienhouten en een brandend kienhout Sogol tegemoet ging, door de echo misleid, liep een anderen weg op, dan waar Sogol riep. Sogol zag hem zoeken met zijn brandend hout, dat echter te weinig schijn verspreidde om den afgelegen hoek te verlichten, waar de twee mannen stonden
„Loop langs het meer en dan rechts af!” riep Sogol, de woorden langzaam uitsprekend met tusschenruimten, opdat het eene woord niet het andere door den echo-schal zou onverstaanbaar maken.
Nu liep Haun in de goede richting en was weldra bij zijn heer. Maar hij en Sogol verschrikten beiden, toen ze bij den roodgeligen schijn van den walmenden brandenden tak een hoop geraamten zagen bij elkaar liggen te midden van steenen bijlen en urnen.
„Draak, monster, ondier I” kreet Sogol. En den priester in zijn woede optillend wierp hij hem van zich af langs het hellende plateau, waar te voren de doodskoppen waren ingerold. De man trachtte zijn vaart te stuiten, doch slaagde er niet in en tuimelde in het zwarte meer. Sogol Hoorde de plons en daarna begon de man, in ’t zwarte duister zwemmend zonder te weten naar welke richting hy kon ontkomen, bevreesd in het donker alleen te blijven nu hij den weg niet meer wist, om hulp te roepen en te schreien.