105
geschoffeerd te zijn en deden lange, uitvoerige verhalen van de*schrikkelijke dingen die zij gezien en beleefd hadden in het hol van de kobolden. Soms kwam ééne harer, de haren golvend in den wind, de armen vooruitgestrekt, gillend en krijtend naar de holen snellen, bleek van ontzetting, kilbezweet en buiten adem en als zij wat tot rust was gekomen, verhaalde zy van een grooten kobold, die heur achterna was gerend, omgeven door een aantal boosaardige dwergen, die springend, buitelend over ’t hoofd en soms zelfs met groote, zwarte vlerken in de lucht vliegend, haar hadden willen pakken.
En niet zelden toonde zoo’n maagd sporen van beten in de naakte kuiten, nog roode indrukken van tanden, die heetten toegebracht te zijn door de kwaadaardige kobolden.
Toen de twaalf jonge priesters tegen den avond het Aarduwener woud betraden en hier halt hielden, werden zy in den nacht verschrikt door een vreemd hoog gillen, dat hun allen met schrik vervulde. Zij stookten het wachtvuur op en nu, bij den gloed van de vlammen, zagen zij naakte wezens, die in een verre kring hun beloerden.
De priesters waren zeer angstig en keken de vreemde wezens oplettend aan. Zij geleken wel ’t meest op vrouwen, doch zij hadden slechts één borst. Ook droegen zy speren en schilden.
Eenige der priesters, zonder zich te bezinnen, namen de vlucht uit het woud, hun wapens achterlatend, zoo snel zy konden hun paarden bestijgend en wegrennend uit het betooverde woud. Anderen begonnen bezwering-formules uit te spreken en trokken in der haast heilige kringen en zevenhoeken op den grond, Wotan aanroepend om hen tegen de kwade geesten te beschermen. Maar een viertal, moediger dan de anderen, grepen naar hun kortzwaarden, sloegen de beukelaars voor de borst en renden op het woudgetwaas af om het neer te houwen.
Toen vluchtten de vreemde wezens diep in ’t woud,