88
„Verbrand mee, als du vreest!” antwoordde Sogol verachtelijk, de stukken tak, die in zijn linker arm en in zijn dij waren gedrongen er uittrekkend, waardoor het bloed naar voren kwam en begon langs zijn arm en zijn been te sijpelen.
En haar de bloedende arm dicht voor ’t gelaat houdend, zeide hij:
„Kom... genees deze wonden nu door dijn heiligheid ... stelp dit bloed op dit oogenblik en ik zal gelooven..
Zij keek naar de wonden met blikken, waaruit de wil en het verlangen om te genezen spraken... Maar het bloed bleef vloeien en stremde zwartrood op de huid...
„Ik kan niet!” zeide zij, „ik kan niet... Bind toch dijn kleed er om ... du zult verbloeden...”
„Zóó genezen kan ik ook... en die daar, den draak zal ik ook wel leeren kennen...”
Hij keek om naar water en zag Haun, die doodsbleek en klappertandend naar zijn meester kwam.
„Jongen, haal water voor dijn meester... gauw...” riep Harimona. „Dé&r is een kreek...”
En zij wees op een regenwelletje, waarbij de paarden stonden, die met vooruitgestoken kop, snuivend van angst, naar ’t brandende vuur zagen, door hun kluisters alleen verhinderd om er in te galoppeeren.
Hij schepte water in zijn lederen jachtbuis en bracht het naar Harimona, die een stuk van haar lijnwaden onderkleed scheurend, de wonden bette en verbond.
Sogol liet zich lijdzaam behandelen, zijn gedachten waren bij den brand in het boschje. Nog steeds stegen de vlammen op en van tijd tot tijd hoorde hij een zwakke ontploffing, waarop dan een nieuwe uitlaaiïng van ’t vuur volgde. Daar ’t nog helder dag was, wierpen de vlammen geen lichtschijnsel over de vlakte en de wind dreef de rook in roetige wadems weg.
Nu hij verbonden was, dacht Harimona aan zich zelve.