HOOFDSTUK VII.
Zij waren samen ontvlucht, Harimona en Sogol en reden op groote paarden naar het land der Nemers en Bellovaken. Sogol wilde zich in zijn land tot koning doen uitroepen. Dan zou hij met Harimona trouwen en een nieuwen godsdienst instellen, die van het nadenken. Hij zou de priesters verdrijven, het geloof in Tiusco, Wotan, Donar, Frya, Grendel en al de andere góden en godinnen en ook in de kleinere geesten, de goeden en de slechten, verbieden in zijn rijk. En van uit zijn rijk zou hij trachten den nieuwen godsdienst te verbreiden naar de Renigo en Maresag te schand stellen, de tempels verbranden, de menschen moed inboezemen en hen er toe trachten te brengen, door nadenken tot de waarheid te komen. Harimona zou hem daarbij steunen. Zij zou openbaar verklaren, dat zij een gewone vrouw was, niet geboren uit den geest maar uit vleesche-lijken omgang. De offers zouden afgeschaft worden en het bidden worden verboden. Al wie bad, zou als een lafaard gestraft worden.
Sogol zou skiggen uitrusten, die het geheim van den oceaan hadden te doorgronden en dappere mannen zouden medegezonden worden met de Massiliaansche schippers, die aan de kusten purperlaken en wollen weefsels kwamen ruilen tegen barnsteen en zink.
Zij moesten medevaren tot het land der Massilianen, daar den koning de hulde gaan brengen van Sogol en Harimona en terugkeeren verhalen van ’t geen zij gezien hadden. Maar alle overdrijving, alle leugen zou streng gestraft worden. De waarheid, de nuchtere, eenvoudige waarheid en werkelijkheid wilde Sogol weten.