HOOFDSTUK VI.
Bij de Dantubaren leden zij nu al drie weken honger. Zij hadden de geroofde leeftocht zuinig verbruikt, maar ’t reikte niet lang. Toen waren de sterkste mannen opnieuw op strooptochten uitgegaan en 't weinige dat nog overbleef, hadden ze als voedsel voor onderweg medegenomen. De vrouwen, de kinderen, de zieke mannen en de grijsaards bleven achter zonder ander voedsel dan het gras, dat ze uit moesten hakken uit den ijsvloer, die de heele Tomgou als met een reusachtig bronzen schild bedekte. Omdat ze te zwak waren om hout te kappen, hadden ze de hutten verlaten en woonden in groote diepe holen bij elkaar, die daar nog waren uit den tijd toen de wildemannen, die hier hadden gehuisd, waren verdreven. In die holen lagen zé bijeen, vrouwen, kinderen, grijsaards, zieken, dicht op elkaar gedrongen om warmte te zoeken en met doffe berusting wachtend op de terugkomst van de stroopers.
Maar de vale schemer, die 's daags door de hol-gaten kwam en ’s avonds verduisterde keerde weer, telkens weer en de mannen kwamen niet terug. Zij zaten tot hoopen bijeen, met doffe oogen en kleurlooze wangen, allen vermagerd tot op de beenderen zoodat de lichamen der jonge maagden niet waren te onderscheiden van die der grijsaards. Velen waren te zwak om zich op te richten en lieten hun uitwerpselen loopen, zoodat ze ook de anderen bevlekten. Die wat sterker nog waren, sleepten zich naar een hoek om hun gevoeg te doen maar vandaar walmde een zoele, dikke verpestende stank, die zwaar hing in 't hol. Soms stierf er een tusschen de anderen in, maar de anderen waren te zwak om het lijk weg te dragen en zjj