HOOFDSTUK V.
Het was een droevige winter, die aan was gebroken ln de Batouw. Sigbert, zijn vrouw Maaike en zijn twee zonen, Reri en Tjeerd, zaten dagen achtereen in de half duistere hut voor 't haardvuur. De Dantubaren hadden veel graan gestolen en waren daarmede weder naar hun gouw getrokken. Aan vervolging was voorloopig niet te denken, want op den sneeuwval, die een week lang bijna onafgebroken had geduurd, waren een paar zoele dagen gevolgd. Toen was het gaan vriezen, steeds harder en de geheele Batouw was zelfs tot diep in den grond bevroren. Het sneeuwwater had zich tot een vaste ijskorst gevormd, die met veel moeite opengehakt moest worden, wilde men den bodem bereiken. Toch was een Ding geroepen om over den toestand te spreken. Ze kwamen uit de geheele Batouw de stevige, wat gebukte gestalten der vrije boeren, die leefden zonder koning, gehoorzamend aan den Baad der Ouden, die gevormd was uit de oudste aanvoerders der saksen, dat waren afdeelingen van honderd weerbare lieden die met den saks, een bijl die tevens lans was en als slag-, steek- en werptuig kon dienen, konden omgaan.
Maar hoewel uit de goede tijden van weleer de Batouwers nog dikke, mooie pelzen hadden, geruild tegen veldvruchten met de jagerstammen uit de boschgebieden, toch zag men de naderende armoede aan de magere paarden, de weinige bronzen knoopen en Abels, de afwezigheid van bronzen borstspangen en armringen, die allen al waren ingeruild voor leeftocht bij de Frisen en de Kaninefaten.
En de gelaten der mannen stonden stroef en droef en de vrouwen, die medegekomen waren, droegen gelapte over-