42
kruiken en zakken en balen, gekleed met drie gewaden waren ze dadelijk overtuigd, dat alleen door zijn invloed, Harimona, de haven zoo plotseling dieper had doen worden. Toen zy achter hun prachtig dikken koning de drie dikke dichters, in hun volle waardigheid op den wagen zagen staan en daarna ook de dertig leden van de lijfwacht ontwaarden, die in gele statiegewaden met bronzen kortzwaarden, ernstig en fier naast de karren liepen, kende hun vreugde geen grenzen en een „Leve koning Mise!” weerschalde daverend dat de Bedekauwers het hoorden over de rivier heen.
De achterste twee wagens boden echter de allergrootste verrassing. Daar zaten de twaalf deerntjes, die koning Mise had medegenomen om de lijfwacht van koning Gise te vermaken. Maar het waren niet meer de naakte snolletjes van weleer. Koning Mise had ze allen in witte priesteresse gewaden doen kleeden, die het geheele lichaam, van onder de kin tot de voetzolen stemmig bedekten. In stede dat zy grollen zongen of liederlijke taal uitbraakten, zeiden zij heilige leuzen op en zongen kuische liederen over „De Waardigheid,” „De Eerlijkheid” en „De Heldenmoed”, met lange galmen, statig en stichtelijk, vroom opblikkend naar den hemel. En hare schoone, blanke overkleeden waren om ’t middel door een losse gordel met gouden versieringen omsnoerd en heur lange haren waren verborgen, onder groote, witte huifkappen, zoodat onbescheidenen haar gelaat niet van terzijde konden zien en wanneer zij ’t gelaat neerwaarts hielden, zelfs niet van voren. En zij hielden haar gelaat meestal naar den bodem van den wagen gekeerd, want zy hadden in de handen van den waardigen koning Mise, bijgestaan door Pill, Pimm en Pinn, de gelofte der kuischheid afgelegd.
Koning Mise, van de bok van zijn wagen, wenkte statig zijn juichend volk met zijn schepter toe. „Denk er wel aan!” zeide hij tot Pinn, dat in „De Misère” deze ontvangst