HOOFDSTUK IY.
Toen Koning Gise zijn eiland weder bereikt had, herkende zijn onderdanen hem niet. Hij was tot op het vel vermagerd en zijn drie koks, die vele dagen vóór de aankomst hun talenten getoond hadden bij de toebereiding van het geslachte ezeltje, geleken op elkaar als drie stafrijmen. Zij hadden het leege karretje voortgetrokken, nadat de ezel opgegeten was en koning Gise liep treurig achteraan, troosteloos omdat hij zonder de hand en zonder de belofte van de groote priesteres, naar zijn eiland moest terugkeeren.
Zijn smart werd nog grooter toen hij eindelijk op 't eiland teruggekomen was. De fioord was na een storm zoo verzand, dat de schepen, die in de fioord lagen, niet meer konden uitvaren en de schepen, die van de oceaan aanzeilden, niet meer binnen konden vallen.
De Bedekauwers hadden zich hierom weinig bekommerd. Zij vertrouwden op hun koning, die wel de gunst van de machtige priesteres zou weten te verwerven en hadden zoo vroolijk en welvoldaan geleefd als dat gezeten lieden past.
Toen zij nu hoorden, dat de koning niet alleen afgewezen was als bruidegom, maar zelfs smadelijk als roover verdreven, begonnen zij den omvang van de ramp te beseffen en spraken er over, weder naar Nehalennia te gaan en haar door groote geschenken en veel offers te verteederen, zoodat zij den zeegeest zou gelasten, de fioord weder uit te diepen.
Koning Gise was mismoedig en bepaalde er zich voor-loopig toe, zich weder op zijn vroeger gewicht te eten, want hij merkte wel, dat zijn mager lichaam alle waardigheid verloren had. Maar hij at nu niet aan vroolijke gelagen