26
„Wat is er met mij gebeurd?” vroeg hy kort.
„De dwazen wilden di verdrinken. Toen heb ik di door mijn Batouwschen wacht laten redden.”
„Mij redden? Waarom?”
„Omdat ik di liefheb.”
Zij lag geknield voor zijn leger. Hij zag het zilverwitte haar, dat in rustige golving van de scheiding in ’t midden van den schedel neerstroomde langs het witte hemd, dat heur schouders losjes en ruim bedekte; de driehoek van ’t blanke voorhoofd; de roode oogen tusschen de lange, witte, wimpers; de bleeke wangen; de lange spitse neus en de hoogroode lippen. Nu ook zag hij het haastige dansen van haar boezem onder ’t flosse witte hemd en hij rook de geur van haar lichaam.
„Du antwoord niet?” vroeg zij hem smeekend aanziend.'
Hy voelde dankbaarheid jegens haar wegens zijn redding en in hem kwam de gedachte op, dat zy wellicht beter was dan haar leven van bedrog. Zij zag aan zijn oogen, dat hij haar niet meer verachtte en niet langer op haar toornde en nogmaals herhaalde zy, haar mond dicht bij den zijne:
„Ik heb di lief prins, ik heb di lief!"
Hij richtte zich een beetje op. Een teederheid kwijnde in hem, een gevoel van zwakte en zucht om zich aan een ander over te geven.
„Waarom?” vroeg hij moe.
„Omdat du waar zyt. Omdat du van alle wervers de
eenigste waart, die trotsch bleef en heer van zichzelf----
Ik heb di lief, ik heb di lief.... ik heb di lief!”
Zy legde haar arm om zyn hals en boog nu zich zoover voorover, dat heur haren, afhangend, zacht zijn wangen kriebelden.
Maar hij weerde haar zacht af, sloot de oogen, voelde zich onpasselyk.
„Du bent nog ziek,” zeide zjj. „Ik zal wat sennep voor di trekken.”