HOOFDSTUK HI.
Toen Sogol ontwaakte lag hy in een groote hut, zacht op mollige pelsen en tegen de wanden zag hy schoone Oostersche weefsels. Door het venster woei een zoel windje en buiten hoorde hy het welbekende toeteren van Haun’s horen.
Hy voelde zich zwaar in ’t hoofd en zonder zich te verroeren, bleef hy nadenken om zich het doorleefde in zyn gedachten terug te brengen. Hy herinnerde zich het geroep van de menigte, het te water! te water! Hy herinnerde zich ook hoe hy de menigte overzien had, toen hy boven ze heen, weg werd gedragen naar den stroom toe... Méér herinnerde hy zich niet, maar half in droom doordenkend, kon hy wel zoowat opmaken, wat er gebeurd moest zyn. Ze hadden hem in ’t water geworpen, hy was ondergedompeld en toen bewusteloos geraakt. Later was hy gered en nu lag hy hier.
Maar wie had hem gered? Wiens hut was dit? Hy keek eens rond, zag op een zetel in den hoek vrouwengewaden liggen. Hy lag dus in ’t vertrek van een vrouw.
Meteen schoot het hem te binnen, dat dit de hut van Harimona moest zyn. Had zy hem gered? Was hy op haar bevel uit het water gehaald? En waar was zij nu?
Hy gevoelde zich zwak en vooral misselyk.
„Haun!” riep hij, hopend dat de jongen hem door het open venster buiten zou kunnen hooren.
Een gordyn van den wand werd opgetild en Harimona trad binnen.
Zy knielde by zijn leger neder en hem met haar koperroode oogen liefdevol aanziende vroeg zy, of hy zich wat beter gevoelde.