23
zwaard op de Dantubaren. Deze, den reus met het vreemde wapen ziende, waren bevreesd geworden. Zoodra zij bemerkten, dat Reri, zich midden tusschen hen werpend, naar alle zijden hun vermagerde, uitgeputte strijdmakkers, alleen sterk door hun menigte neersloeg, weken zij en nu twaalf Batouwers, een kleinen saks vormend, in gesloten krijgsorde op hen losstormden, Tjeerd voorop, baan makend naar Reri, die alleen midden tusschen de ellendigen, tot met de schouders boven hen uitstekend, met rustige slagen koppen spleet, zoodat hij in een kring van bloedende lijken stond.
De Dantubaren begonnen te vluchten. Een viertal hunner, grooter en breeder dan de anderen, trachtten hem te weerhouden. Met hun frammen vooruit, stormden ze elk van een andere zijde op Reri aan. Maar voor zij hem bereikt hadden, was de saks van Tjeerd genaderd en de vier, nu in verwarring, werden door de Batouwers van Tjeerds wig neergeslagen.
De Dantubaren, die op een afstand nog waren blijven wachten, hopend dat het de vier gelukken zou, den Batouwschen reus te vellen, vluchtten nu in een drom, de hoofden voorover, de ruggen in deining en in regelmaat stampend op den dichten sneeuwgrond.
Een paai’ Batouwers waren de hut binnengesneld en droegen nu Maaike naar buiten. Zij was door den rook ademloos, maar in de frissche buitenlucht kwam ze bij, herkende haar twee zonen, vroeg naar Sigbert en naar Herebaeld.
Met sneeuw werd de brand in ’t rieten dak gebluscht. Vrouw Sigbert, hoorende dat heur man en heur kind aan den weg waren gebleven, riep een zestal maagden, die in doodsangst voor de Dantubaren, over de velden gevlucht waren en zich in een schuur hadden verstoken.
Zjj liet ze een wagen uit een schuur halen, zond ze daarmede op weg naar Sigbert.
Ze vonden den uitgeputten man, half ingesneeuwd en