22
hand op den schouder van den knaap, die hem tusschen twee lage heuvels door, waarbij zij tot de knieën in de sneeuw zonken naar de woning van Wate leidde, een van de rijkste Batouwers. Daar vond hij een achttal mannen met aaksten, saksen en frammen gewapend, gereed om uit te trekken. Zij begroetten Reri met een handdruk, vroegen naar Sigbert, vertelden van den inval der Dantubaren, die door honger gedreven, zich allen hadden vereenigd en in de Batouw waren gevallen om 't graan te stelen en te plunderen. Zij waren als woedende dieren, sloegen allen die zich verzetten neer, mannen, vrouwen en kinderen, wilden de heele bevolking van de Batouw uitmoorden uit vrees voor werwraak.
De Dantubaren trokken nu in de richting van de woning van Sigbert, wetende dat hij en zijn drie zonen op een verre reis waren. Tjeerd was al op weg naar de woning om zijn moeder en zijn bruid te beschermen. Zij waren gereed om hem te gaan helpen.
Reri trok zijn kortzwaard, toonde het even aan de verbaasde Batouwers, want in de Batouw kende men zulke schoone wapenen niet en het groepje van acht mannen schreed door de sneeuw, die wat minder dicht begon te vallen, naar de woning van Sigbert. Daar krinkelde de rook al op van het strooien dak, maar een tiental Batouwers waren vechtend tegen een zwerm Dantubaren. Reri herkende Tjeerd dadelijk en zijn kortzwaard opstekend in de lucht, rende hij toe, gevolgd door zijn strijdmakkers. De Dantubaren, een groep van wellicht vijfhonderd, waren rondom ’t brandende huis bezig. Enkele droegen het huisraad naar buiten. Anderen waren aan 't zoeken naar de graankuilen. Maar de meesten wierpen met korte speren en steenen naar de kleine troep Batouwers, die zooeven teruggeslagen, opnieuw zich voorbereidde op een stormloop. Nu zij Reri en de zijnen zagen komen, riepen zij hun Hoeiej!... Hoeiej!... en Reri, antwoordend, étortte zich met opgeheven kort-