7
der mannen. Want haar was het bewust geworden, dat de mannen in Germaniö de vrouwen onderdrukten. Zij verachtte de mannen, die lui op het berenvel lagen, dronken, speelden, zwelgden en oorlogsspel bedreven, ter-wijl de vrouwen gedwongen werden uren na uren aan het weefgetouw te zitten, het land te bebouwen, het vee te verzorgen, de kinderen in de jaren, dat zij de meeste hulp vereischten, te behoeden. Zij, de vrouw, moest het graan dorschen en malen en ’t brood bakken; zij moest de lijnwaden weven; zy moest de huiden looien; zy moest den man als slavin dienen en als een kind willoos gehoorzamen. De mannen, op hun rooftochten, mochten vrij maagden schennen en vrouwen onteeren. Maar de vrouw die ontrouw werd, bond men in een zak en verdronk haar of verbrandde haar of begroef haar levend. Wanneer een maagd zich, in de lichtzinnige jaren der jeugd, aan een minnaar gaf en de minnaar verliet haar, dan werd zij met het schandekind op een wagen door het dorp gevoerd en men hoonde haar, wierp haar met slijk en steenen en drek en dreef haar uit de gouw met het kind. Maar de ontrouwe man dronk honingbier en pochte op zijn schelmschen minne-handel.
Wanneer de man de kootjes wierp en nogmaals wierp en nogmaals wierp, tot hij verspeeld had, hof en hut en vee en zwaard, dan doorspelend, liet hij de teerling beschikken over ’t lot van vrouw en kind, die zonder zich te kunnen verzetten, vrijheid en eer verloren en voortaan als slaven dienden, ja door den winner geruild werden tegen een waakhond of een paard of een stier, zoodat vrouw en kinderen, in een verre, vreemde gouw, onder een vijandigen stam vaak, tot het eind der jaren in slavernij en verachting leefden.
Maar als de verleide maagd, in wanhoop, om de schande te ontgaan en heur kind voor den smaad der slavernij en de pyniging van den honger te behoeden, heur kind om 't