160
Dan ook, dacht zij aan dien vreemden Koning van de Skalde-eilanden, met zijn drie sprokesprekers. Die had zij door Reri moeten laten wegjagen — de onbeschaamden. Hij had zijn drie sprokesprekers schaamtelooze spreuken tot haar laten zeggen en die drie hadden tot elkaar gelachen met zoo beleedigende lachen dat zij vreesde, die drie wisten van het bedrog. En de Skalde-Koning zelf had haar eerst gesmeekt zyn haven uit te diepen en toen zij dit beloofd had, haar gezegd, dat als zij hem tot man wilde hebben, hij haar een paar gelijke sandalen zou schenken als Maresag van hem gekregen had. Nu zij wist, hoe de Skalde-Koning twee wonderschoenen had geschonken aan Maresag, die baar had gedwongen, Wotan te bidden ze te vullen met wonderschatten. En eenmaal waren er werkelijk vreemde schatten in 'de leeggestolen, schuur gekomen, maar een andermaal waren die schatten weer weggestolen en er lag een bundel hooi bij en een der schelmen had om den hoek tot Maresag geroepen:
Als Wotans ros dit at,
Vondt du den wonder-schat!
En nu had dien koning, met zijn sluwe, donkere oogen haar een zelfde paar schoenen beloofd, en zij voelde heel goed, dat de man haar wantrouwde en van haar bedrog partij wilde trekken om haar te bedriegen....
Toen de Skalde-Koning zich met zijn drie schabouwen had teruggetrokken, hadden zij alle vier gelachen en spotspreuken gezegd, zoodat het volk ze met hoon had ontvangen en zij Reri bevolen had ze te tuchtigen.
En toch, die - vier was ze dankbaar geweest. Al waren het spotters en dieven en roovers en bedriegers, zij waren ten minste niet zoo slaafs en dom geweest als al die anderen. Zij hadden van hun eigen waarde ten minste eenig besef gehad. Die anderen, waren wel koningen en prinsen en hertogen in naam, maar in hun lichaam leefde de