152
baar de godheid aanbidden... en hier die eerwaardige grijsaard naast zich, de oude Myst, zou in haar goddelijkheid ge-looven en Haun, die al den horen nam om te gaan blazen, zou aan haar goddelijkheid niet twijfelen ... En ver, in zijn rijk, in ’t land der Nerviërs, zou hij ook het geloof vinden en alleen hy, Sogol, twijfelde, hij alleen was zonder geloof. Hij gevoelde zich bedroefd en eenzaam; diep in zichzelf voelde hij zich op dit oogenblik vijandig tegen dien twijfelenden geest in zich en een oogenblik rees in hem de gedachte, dat die twijfelzucht wellicht juist een kwaden geest was, een die te gevaarlijker en slechter, omdat hij hem niet herkend had. Was hij wellicht een door Grendel gedoemde, die hem dat vreeselijke lot beschoren had, om levenslang dè,t ten sterkste te ontkennen, waarvan hjj zelf juist den meest uitverkoren drager was?
Haun, onder den indruk van ’t schoone landschap daar beneden, met de breede Rinstroom in 't glinsterende licht van den vroegen ochtend als de zilveren zoom, plooiend naar de bochten van 't wijd uitgespreide groene aarde-kleed en tegen den einder de verwazende bergtoppen en dichterbij ’t ruige al gelende boschage van de haag en voor hem, in de dalkom, het ontwakende leger van zoovele geloovigen en dat alles onder den wijden hal van den lichtblauwen hemel, zette zijn horen aan den mond en begon te blazen, zachte doedelende tonen, met zoet-wee-klagende geluiden als van verre tortels in hooge boomen, en dan, toen de zon geheel van boven een wolk opsteeg en straalde opeens over het landouw en sloeg spartelende starren in de kabbels van den broeden, kronkelenden stroom en blankte hèl het lijnwaad van de tenten, toen stond hij op en den horen hoog aan den mond, ’t gelaat richtend naar de zon, blies hij opeens de volle, warme tonen van den Nervischen barditus...
Sogol, thans ook opspringend, opgewekt door die tonen van den jongen kunstenaar, zijn vorstelijke waardigheid