148
dachtenis van mijn vader te eeren, als die nagedachtenis mij niet in 't hart ligt?”
„De góden, prins?”
„En wanneer die góden er niet zijn?"
„Hoe weet di dat?”
„Hoe weet di, dat ze er wel zijn ? Hebt di ooit een god gezien?”
„Wie maakte het uitspansel? Hebben dat de menschen gemaakt?"
Sogol peinsde. Ditmaal kon hij den priester niet antwoorden. Nu ze onderweg zoovelen zagen optrekken naar de haag van Renigo en hoorden van de wonderen door Harimona verricht, besloot Sogol naar Renigo te gaan, om daar nogmaals te trachten, den góden nader te treden.
„Lang zullen wij niet blijven, prins. Want anders kon het zijn, dat het Ding den medestander verkoos.”
„Liever het koninkrijk verloren dan de godheid!” antwoordde Sogol fier.
Hoe dichter zij bij Renigo kwamen, des te grooter werden hun verwachtingen. Zij ontmoetten reeds terugkeerende genezen blinden en manken en kreupelen en lieden met geheelde wonden. Ook waren er al bruidegoms voorbij getrokken, die met grooten staat naar Renigo voeren om naar de hand der schoone priesteres te dingen. Sogol minachtte die lieden, lachte om de verhalen van Frango, den draak, Whridlo den hond en Baza, de geit, die overwonnen moesten worden. Dat zouden wel sprookjes zijn, zooals al de andere verhalen van monsters en geesten. Dicht nabij Renigo haalden ze prins Istovar thoe Mjellego in, die door een val van zijn ros zich het been had verwond en had moeten achterblijven en kampeeren. Malle zat dag en nacht bij hem in de tent, had veel moeite om den vurigen prins tot rust te dwingen. Want de prins kon de langzame genezing niet afwachten en wilde, op gevaar van de wonde weder