147
in zijn jeugd het nog bijgewoond, dat ze in de haag van Thius kinderen op het offerblok hadden gelegd en hoe één oude priester de kleine meisjes schoffeerde vóór hij ze de keel doorsneed en een ander, had hij ’s nachts betrapt, de kleine lijkjes schennend.
En verder naar ’t binnenland, daar was een stam geweest, waar zelfs de geofferde kinderen aan ’t spit geroosterd werden en 's nachts bij een feestmaaltijd opgegeten. Maar kon Sogol ontkennen, dat er ook goede priesters waren en echte heilige mannen? En kwamen de voorteekenen niet dikwerf uit? Hoe was het geweest met Sogol’s vader. Had hij, Myst, niet zelf te voren, het ingewand van een kalf ondervraagd en lagen de darmen niet allen in den vorm van een lus en had hij toen niet daaruit kunnen voorspellen, dat de tocht naar 't Paarden-eiland slecht zou afloopen? Was dat niet uitgekomen ? Was hij niet met al zijn schepen door den zeegeest verzwolgen?”
„Wat deed hij op ’t Paarden-eiland?”
„Hij ging buit halen bij de vijanden.”
„Neen, hij ging rooven. Welke god zou een roover bijstaan, indien hij niet zelf een rooversaard had? Hoelang hadden de góden vader niet geholpen bij die rooverijen voor ze hem vernietigden.”
„De góden zijn lankmoedig, Sogol 1”
„Schoone lankmoedigheid, die gedoogt dat anderen van hun vreedzaam bezit worden beroofd en worden uitgemoord, door hebgierige vreemdelingen, die van verre komen om zich te verrijken.”
„Du moogt zoo niet over uw gestorven vader spreken, prins.”
„Mag ik niet? En waarom niet? Heeft hij niet mijn brave moeder ongewroken gelaten? Heeft hij mij niet, een jongeling nog, weggejaagd uit huis .en uit ’t land, zoodat ik nu ’t vaderlijk erfdeel misschien zal moeten heroveren met ’t kortzwaard in de vuist? Wie gebiedt my de nage-