145
naar de heilige haag. Vervolgens werd Koning Gise door Reri met zwaardslagen buiten de kampen gedreven en Reri dreigde hem, dat hij hem dooden zou als roover, wanneer hij zich weer op ’t gebied van Renigo vertoonde.
Koning Mise volgde den onfortuinlijken buurman en bood hem zijn ezelkarretje grootmoedig aan.
Tegen den avond dan reed de ongelukkige Koning Gise terug, eenzaam met zijn drie koks in ’t ezelwagentje van Koning Mise. En toen hij dacht aan de verloren schatten, de mislukte reis en den smadelijken uittocht zuchtte hij. Toen hij dacht aan de verloren bruid, snikte hij. Maar toen hij dacht aan zijn fioord, die nu geheel zou verzanden, viel een traan langs zijn wang.
Zijn drie koks begonnen hem met schoone verzen, rijk aan alliteratie en bijzonder goed in de maat, te troosten. Treurig sloeg de Koning de maat met zijn stok op den rug van ’t ezeltje, dat gewoon aan de rake en lustige grollen van Pill, Pimm en Pinn, zoo 'n afkeer kreeg van de drie sombere koks, dat het ’t op een draf zette, alleen om de woordkunst van de drie gidsen te ontgaan.
En ziet — toen Koning Gise het ezeltje zoo flink draven
zag en hij dacht aan zijn thuis----toen glimlachte hij
door zijn tranen heen!
OERMAN IA 10