189
doen uitsteken, opdat ze dan ook geblinddoekt naar hun schoone sproken zouden kunnen hooren. Toen Koning Gise Reri nogmaals wilde terugzenden, pakte Reri den dikken koning op en gaf hem, naar het bevel van Maresag, met het plat van zijn mooi kortzwaard een dracht op zeker, welgevleescht deel, zéér in de maat, zoodat de koning zich haastte weg te komen en vol verontwaardiging van de slechte ontvangst mededeeling deed aan de drie gidsen.
Die waren vol verwondering blijven staan voor de tent van koning Mise en zijn drie groüengraaiers. Was dat de magere, arme koning Mise met zijn drie popeltwijgen? Zij waren alle vier weldoorvoed en dik geworden en droegen purperen gewaden en zwaarden in scheeden versierd met barnsteen en prachtige armspangen van gedraaid brons en op de borst groote bronzen spiraal-hangers. De tent zelf was behangen met kostbare marter- en dassen pelsen en koning Mise droeg een mantel van hermelijn en een bronzen kroon met steenen van agaat versierd.
Voor zooveel rijkdom en schoonheid in bewondering, vroeg koning Gise eerbiedig, hoe zijn vorstelijke buurman in zoo weinige dagen tot zulk een staat was gekomen.
„Door wie anders dan door de groote priesteres Harimona en haar grooten opperpriester Maresag?”
„Heeft hjj di dan ontvangen?”
„Zou hij koning Mise niet ontvangen?” vroeg de vorst verwonderd.
„Maar ons wees hij af!” antwoordde koning Gise beschaamd.
„Dan hebt di den goeden weg niet gekozen. Hebt di al de geschenken gebracht?”
„Ik bood ze aan, maar hij wilde ze niet ontvangen.”
„Dat is dijn fout. Denkt di, dat de groote priesteres en de groote priester geschenken zullen ontvangen als du ze geeft naar dijn aard, die mij ook altijd mishaagd heeft.
Du moet ’s nachts stil de geschenken in een schuur