130
Het ezeltje kon nauw den wagen trekken en daar de vier haast hadden om naar hun loofhut te komen — • want het werd avond — ging koning Mise vooroploopen, het ezeltje voorttrekkend aan ’t bit; Pimm en Pinn duwden elk aan een rad, terwijl achteraan Pill, zijn rug tegen het achterschot zettend, medehielp het ezeltje den last te verlichten.
Pimm zeide:
De Hoe-Moor van dees zaak,
Brengt zware avondtaak.
Pinn sprak:
Een zware buit,
Is licht gekruid.
Pill sprak:
’k Ga vooruit en terug,
Daar ik duw met mjjn rug.
Koning Mise antwoordde:
Voorwaarts gaan, maar omgekeerd,
Hebben priesters steeds begeerd.
Sigbart en zijn drie zonen, hoewel vol verlangen wachtend op ’t oogenblik, dat zij tot de wijze jonkvrouwe toegang zouden erlangen, Sigbart om haar te smeeken de Batouw met een goeden oogst te zegenen, na drie jaren van misgewas, Herebaeld om verlof te krijgen met zijn beide broers Frango, Whridlo en Baza te gaan bestrijden, waren vol verbazing gedurende al die dagen, dat zij in de kampen wachtten. Prins Istovar had hun een mooie tent geschonken, die zij opgeslagen hadden in het kamp der vrijen en Sigbart, als aanvoerder van een saks, had een fram voor de tent in den grond gestoken, ten teeken van waardigheid.
Hierdoor kwamen andere aanvoerders van honderdlieden den stoeren Bataaf bezoeken en zij noodigden hem uit mede te gaan naar de groote meê-tenten, waar de drinkgelagen plaats vonden en ook gedobbeld werd.