118
rook, die Haun snel opraapte en door ze te beademen, weder wilde opwekken. Maar hoewel de ljjfjes nog warm waren, met de vreemde warmte van vogels, bleven de oogjes geloken en alleen een trekje met de pooten toonde soms, dat ’t leven nog natrilde.
„Achteruit Haun... Meester, een beetje achterwaarts... ze zullen naar die zij vallen...”
Met de punt van een lans, hoopte Sogol het hars dat afvloeide, weder tegen de stamvoeten op, die nu zwart en verkolend door ’t vuur ingevreten, begonnen over te hellen. Myst was terzij op een stronk gaan zitten en wachtte angstig maar met groote verwachting op ’t verschenen van den boschgeest. Opeens begon een der eiken te hellen en plotseling nu, eenmaal aan ’t vallen, zonk de zware boom neer, sleurde met de takken den tweeden mede, die hoewel nog in den kern vast, met een knak afbrak en meeviel...
„Blaas mijn jongen, blaas!” riep Sogol, verrijzend midden tusschen het groen der takken, zelf een boschgod gelijkend met zjjn bruin gelaat, zijn donkere, ernstige, glimmende oogen, zjjn ruwe, lange, zwarte baard en zijn lang donkerbruin hoofdhaar, dat den machtigen rechterschouder gedeeltelijk bedekte, over den linkerschouder, waar ’t berevel met een fibel was vastgestoken, naar achteren was geworpen.
Haun- blies... ditmaal weerklonk geen schal.
„Hij is gevlucht!” riep Myst... „Hebt di hem gezien?”
Sogol sprong door de takken heen en den hoorn van Haun nemend, liep hij een eind terzijde en blies... Nu kwam de schal dauw éénmaal terug... Hjj snelde naar een andere plaats, daar waar de stem van den boschgeest gewoonlijk uit de diepte scheen te komen, en blies. Maar geen schal antwoordde. Hij liep in rechte ljjn naar de tegenovergestelde plaats. Nu weerklonk de hoomstoot eerst luid en dan iets verder heel zacht.
„Wat denkt di ervan?” vroeg Myst, half hopend, dat