115
„Zoo zal de bosehgeest ook dijn eieren hebben opgepeuzeld Haun en de vossevellen hebben laten liggen... hij had er zelf een en dat was hem genoeg... Ik geloof, dat er geen bosehgeest is... ”
„Maar wie zou dan hier toeteren?” vroeg Haun.
„Dat zullen wij morgen nog eens onderzoeken.”
Zy gingen met den dooden vos naar de hut. Doch al ’s morgens vroeg liepen ze weer beiden naar den bosehgeest. Nogmaals liet Sogol Haun toeten.. nu hier, dan daar, dan op een boom en met een punthout trok hij lijnen langs den grond en maakte teekens om te onthouden, waar de geest driemaal antwoordde en waar tweemaal en waar eenmaal en waar de geest niet antwoordde.
. Bij de twee eiken was ’t geluid altoos het sterkst.
„Als hij hier is, moet hij hier wonen. Ik zal die eiken omwerpen.”
En nu zag Haun hoe Sogol alleen, gedurende dagen bezig was om de twee eiken om te werpen. Dat deed hij heel vreemd, niet zooals in ’t land der Nerviërs, waar zij met lange bronzen messen heen en weer sneden, doch Sogol groef een geul rondom den stam en wierp deze vol stukken hars, die hij dan met een grooten steen fijnstampte. Ook . boorde hij in den stam beneden diepe gaten en stopte die vol met harspoeder. Onderwijl vermaakte Haun zich met toeteren en nu hij de grenzen van het gebied van den bosehgeest wist, vond hij een aardig spel uit. Hy blies eerst een wijsje, daar waar de bosehgeest niet antwoordde. Dan blies hy in ’t gebied van den bosehgeest ’t zelfde wijsje gedempt, door zijn vuist in den horen te steken en daarna weer snelde hij buiten 't gebied en speelde weder zonder drieschal. En nog voor Sogol de beide eiken zoover gereed had, dat het hars kon worden aangestoken was Haun zoover, dat hij, beurtelings op en buiten ’t gebied van den bosehgeest loopend en hij alleen zijn horen blazend, den indruk wekte, alsof er vier mannen op vier horens speelden.