108
’t boseb leefde, zulke lange haren en zulk een ruwe baard had gekregen.
Waren de werkelyk geesten en góden niet juist zoo ontstaan als de meening, dat hy een wildeman was? Had het volk zyn moeder niet voor een tooverkol gehouden, terwijl hy toch maar al te goed wist, welk een vroede vrouw ze geweest was? De priesters en de priesteressen waren met elkaar bedriegelijk volk. Zy bedrogen het volk met praatjes, waaraan zij zelve niet geloofden met geen ander doel dan om te kunnen zwelgen en in luiheid en onzedelykheid te leven.
De oude priester lag stil op het leger en luisterde toe. Hyzelf, hoewel diep in ’t gemoed ook twijfelend, voelde zich bevreesd om den jongen prins, te sterken in diens twijfel. Daarom verdedigde hij het geloof. Hij sprak van de voorspellingen, die uit waren gekomen, van de onbe-driegelijke voorteekenen, van de berichten van geloofwaardige lieden, die toch met eigen oogen elfen, nixen, kabouters en bosch-geesten hadden gezien. Zijn eigen vader was eens in den winternacht van een verre reis huiswaarts gekeerd. Hij verdwaalde, hoewel hij een gewijde fakkel had ontstoken, die zyn pad verlichtte. Het was beginnen te misten. De nevel om hem heen werd steeds dichter en natter en eindelyk kwam hij aan een groote woning. Deze trad hy binnen en nu kwam hy in een ruimen hal, hel verlicht, waar terzyde vreemde, groote potten stonden. Uit een pot riep een stem: „Ik ben het, dyn grootvader. My heeft het zeewyf in de diepte getrokken en bewaakt mjj in haar oelkenpot. Du bent hier diep in ’t kolle-water en hadde du de gewijde fakkel niet gedragen, dan zoude du reeds lang verdronken zyn. Want wat du voor mist hield was water, in welks kolk du bent gezonken, tot in het huis van het zeewyf. Vlied vóór ze terugkomt want anders bent du gevangen.” Toen had Myst’s grootvader de ziel uit den pot bevryd, die als een lichtje voor hem uit