Zaal in den toren van het kasteel. De zaal is voor een gerechtszitting ingericht, met groene tafel, stoelen enz. Een getraliede deur voert naar de gevangenis.
Eerste Tooneel.
De cipier Ludovico.
DE CIPIER
(Hij zit aan een houten tafel met een flesch wijn en een glas voor zich)
Bah, wat een bocht! (hij schuift het glas ter zijde) De
[wereld loopt ten einde.
Ze hangt van zonde en bedrog aaneen.
Padovan heb 'k besteld, wat krijg ik hier,
’t Is bocht, ’t is tuig, het smaakt naar zurig bier.
(hij hoort gestommel achter de getraliede deur) Hé.. hé .. wat is dat daar voor leven weer,
Wat stil! of ’k kom er met den rotting tusschen.
’t Is wel begrijpelijk, die arme drommels!
Daar zitten ze nu sedert ruim twaalf uur, Versmachtend van den honger en den dorst.
’k Heb meelij met de meid, die liep er in.