225
Zoo’n bloedje-in-de-kouw, zoo’n femelaar,
Die noemt men niet meer rondweg, laksche lummel,
O neen, mijnheer is ziek, mijnheer is lijdend,
Mijnheer wordt planteneter en mijnheer,
Schaft af het rooken en het drinken, hij Legt toe zich op de kennis der natuur,
Prikt arme vlinders door het levend lichaam,
Zet muizen en zet vogeltjes gevangen,
Ontbladert bloemen en kwelt arme kikkers,
Misbruikt Gods lieve, min’lijke natuur,
Voor quasi wetenschappelijk gedoe,
In het geniep een laffe, lamme wreedaard,
In stee, dat ergens voor een heerenhuis,
De kwant op wacht staat om een flinke meid,
De wang te knijpen en een kus te rooven,
En zoo een kennis der natuur opdoet,
Die past aan jong en levenslustig bloed.
(Bij ’t spreken der laatste zinnen hoort men reeds zacht het tokkelen van een viool of mandoline uit de loggia. Thans hoort men een liedje zingen door Sirenetta met refrein door vader en moeder).
SIRENETTA (stem uit de loggia)
’s Avonds als het maantje draalt,
Om te schuiven,
Achter kuiven,
Van de wolken, blank en zacht,
Staat mijn minnaar op de wacht.
En hij tokt,
En hij lokt,
15