224
BOZZI
Die twee! 't Is goed dat gij ze snel verjoegt.
Hun voorbeeld zou wellicht aansteeklijk werken,
’t Zijn vreemde lui, de hedendaagsche dokters,
De een prijst hemelhoog, wat d’ andre laakt,
De een, die zweert bij pillen, poeders, drankjes,
De andere noemt dat gift, en zegt natuur Alleen kan heelen, wat natuur verwoestte,
De derde zegt: neemt baden van koud water,
De vierde: broeit de zieken in een stoof,
De vijfde roept: slaapt steeds bij open venster,
De zesde schreeuwt: In Gods naam, ramen dicht, De zevende zegt: snijen, daadlijk snijen,
De achtste meent, het mes komt steeds te vroeg, En ’k noem nog niet de nieuwste theoriën, Genezingen door bidden en door vasten,
En daar er zoo veel theoriën zijn,
Zijn er natuurlijk nog veel meer patiënten,
De eene helft van ’t menschdom is echt ziek,
De andere lijdt aan ingebeelde kwalen.
In mijn tijd noemde men een luiaard lui.
Thans lijdt zoo iemand zwaar aan indolentie,
De tragen heeten thans, ietwat passief,
De vrijster, die belust is op een vrijer.
Een zeer natuurlijk en gezond symptoom,
Die lijdt aan overspanning van de nerven.
Men geeft haar douches, baden, boschlucht, spelen, Ja, alles geeft men haar — alleen geen man,
Het wondermiddel toch voor vrijsterskwalen.
Een jongling, die uit aangeboren saaiheid,
Schuw doet, bleekwangig altijd in een hoek Blijft staan, als makkers minnehandel drijven,