217
Verveling is het wachtwoord van ons leven.
Wij worden door de titels en den stand,
Door étiquette, door de stijve vormen,
Door allerlei begrip van eer en rang,
Gestaag gedrukt — ’t Is heden een gevecht,
Om wie den voorrang bij een gastmaal heeft,
En morgen is het strijd om wie een kruis.
Of wie een strikje, wie een ster mag dragen.
De beste vrienden worden eikaars haters,
Om het denkbeeldig heil van onzen staat,
Die elk naar eigen inzicht wil verbeet’ren.
Dat heet dan politiek, die meer verscheurt.
Dan dat ze ooit in vrede kan vereenen,
Het allertreurigste zijn onze feesten,
Aan ’t gastmaal zitten wij niet naast elkaar, Naar eigen keus, vertrouwden bij vertrouwden, Maar naar de keus van wat heet staatsbelangen, En elk past op zijn woord als op zijn beurs.
Dan komen ons de kunstenaars vermaken,
De dichters zijn te voren ingelicht,
Dat zij de stichtelijkste verzen kiezen,
De zangers zingen niet een enkel mopje.
Maar alle dartelheid zit in een kooi,
De schilders schild’ren niets dan heldendaden. Bedreven door de leden van ons oud Geslacht -— ach, dat de dooden, dooden bleven, Ik heb genoeg van al hun heldenmoed.
En als de muzikanten wijzen spelen,
Dan eerst begint men zich goed te vervelen, Verwonderlijke virtuosengamma’s Dooreengewerkte maccaroni-loopjes,
Zwaar op de handsche nieuwe Sonatines,