213
Hij ook zijn eigen mannen wilde sparen,
En vroeg mij tot den dag des oordeels gijzelaars.
LORENZO
Wie zondt gij hem ?
BOZZI
Dat is het smartelijkste van ’t geval :
Francesco, hertog van Modena is,
De voor'ge maal door ’t veil Venetië Bedrogen, dat hem gijz’laars zond in naam.
Van hooge afkomst, doch die inderdaad,
Het schuim der lazzaroni waren — sinds Wantrouwt de hertog alle gijzelaars,
Ik bood hem aan zelf zijne keus te doen.
Ik wilde zelf mijn eerewoord verpanden,
Maar hij bleef koel en vroeg . . . neen heer, hij eischte, Uw eenigst kind, Beata tot een pand!
LORENZO
Dat is onmogelijk . . .
BOZZI
Hetzelfde zei ik ook. Hoe, vroeg ik hem,
Durft gij een zwak en ziekelijk meisje eischen?
Des hertogs eenigst kind, zijn laatsten troost,
Sinds hem twee zonen door den dood ontvielen?
Zijn oogappel, ’t hart van zijn hart, zijn hoop,
De zonnestraal in ’t duister zieleland?
Dat kunt gij niet, dat moogt gij niet. Waar is De Italiaansche riddereer gebleven,
Sinds maagden men als oorlogsgijz’laars eischt?