95
geslagen, maar hij was er nog niet af. Als 't éénmaal eerst versleten was, clan zouden de lui wel eens beginnen het met de stoomkokers te probeeren. En vóór ze er heelemaal vóór waren, zou er wel weer een paar jaar verloopen. Maar een klein bloemenwinkeltje, door Mantua voor niets of voor een prikje nieuwerwetsch gemaakt, dat zou wel gaan. Hij had het huisje goedkoop gehuurd, met huurcontract voor drie jaar, met recht tot aankoop voor drieduizend gulden vóór den laatsten huurtermijn. Ging het bloemenzaakje, kwam er «stand» in ’t huisje, dan zou hij ‘t, met een hypotheekje er op, kunnen koopen. Dat was practisch. dat was gezonde koopmanschap.
En het bloemenwinkeltje zou geopend worden. Treesje was een week lang eiken dag naar Haarlem gespoord en daar had zij de namen van de bloemen geleerd en de behandeling en ook een beetje het maken en schikken van ruikers. Mantua was eiken dag medegegaan. Maar dat had hij en had Treesje voor Vlissingen verborgen gehouden.
Hij wachtte haar op aan den trein. Den eersten dag was zij in een dames-coupé gaan zitten, hem met een lieven groet voor ’t wegrijden afscheid gevend en Mantua, zonder zich er over te verwonderen, was met zijn klein veldezeltje en zijn verfdoos in een andere waggon gaan zitten. In Haarlem waren ze beiden uitgestapt en toen samen een eindje den weg naar Bloemendaal op gewandeld, waar de bloemisterij lag.
Hij was de duinen ingegaan, naar hij meende om schetsen te maken. Maar hij kon niet. Hij liep door de duinen, duin-óp . . . duin-af. . . tot hij aan zee kwam. bleef daar zitten, en turen naar den verren, blanken einder. Zoo ging het dag-in, dag-uit. En in zijn hart begon zachtjes de bewustheid van zijn liefde op te bloeien. Hij dorst het zichzelf nog niet te bekennen. Hij lachte zichzelf uit, «kom. kom, hij, de oude vagebond, hij, een man naar de vijftig, zou verliefd zijn geworden op dat jonge, onschuldige ding. Hij moest zich dat maar uitpraten. Dat was onbegonnen werk. Wat kon hij haar bieden ? Nog tien jaren kon hij werken ... en misschien had hij nog maar tien jaren te leven . . . Hij had te veel meegemaakt. Het leven was te hard voor hem geweest. Hij moest nu nog maar dat restje van zijn leven eenzaam zien te blijven,