i55
,,0p reis,” had ze geantwoord.
„Waarheen ?”
„Naar Aken.”
„Waar is zijn adres?”
„Ja, mijnheer geeft dat niet op, als hij weggaat. Maar hij is om mevrouw te begraven.”
„En waar is dan mevrouw?”
„In Aken in ’t pension Schönfeldt.”
Toen had die mijnheer haar een stuk laten zien en gezegd, dat hij huiszoeking moest doen.
Er was nog een mijnheer uit het rijtuig gestapt en toen hadden zij de deur gesloten en één was bij de deur blijven staan en de ander was overal aan ’t zoeken gegaan. Onder de toonbank en in den kelder en in den schoorsteen en in het bed en in de kasten en op den zolder en overal, overal. Alles hadden ze overhoop gehaald en toen hadden ze de brandkast door den smid uit de Voetboogstraat laten openbreken en er alles uitgenomen en ook de secretaire leeggehaald en toen hadden ze haar naam en adres opgeschreven en haar alles gevraagd en haar gezegd, dat zij als getuige zou worden opgeroepen en ze hadden daarna alles verzegeld en waren toen weggegaan.
Nathan dacht na.
„Dat zal in verband staan met die groote geld-rouleering. Die man zal in politie’s handen vallen!” zeide hij, half luid.
„Nu juffrouw, 't beste. Ik kom wel eens op een anderen tijd terug.”
Op straat liep hij in gedachten den Heiligenweg op, overlegde wat hij doen zou.
„Die man moet gewaarschuwd worden. Maar hoe? Nathan Souget mag zijn eigen vingers niet branden. En toch mag Nathannetje ’m wel redden. Ricardi is altijd goed voor mij geweest, nu zal ik Ricardi helpen. God geef, dat ’k’m uit de doos hou.”
Hij liep het café van Tellekamp binnen, bestelde een fleschje frambozen-limonade, vroeg papier en inkt, zat lang te peinzen, wat hij seinen zou.
Ik moet telegrafeercn. Ik moet het zoo doen, dat niemand weet dat ik getelegrafeerd heb. Hij zal, als hij het telegram ontvangt, zelf wel weten wat hij te doen heeft.