123
aard van den Amsterdammer om, ook al is hij door de waar van een winkel wel eens teleurgesteld, niet onmiddellijk dien winkel zijn klandizie te ontzeggen, meenende „dat de man er zelf niet inzit”. Maar op den duur verloopen toch alle winkels, die hun verkoop op grof bedrog hebben gebaseerd. De bedrogenen waarschuwen anderen en ten laatste moeten dergelijke zaken het alleen hebben van den verkoop aan vreemdelingen, die Amsterdam niet in grooten getale en dan nog slechts gedurende korten tijd bezoeken.
Zoo begon dan de winkel waar de hoofdzetel der «American Company» gevestigd was, te verloopen en er waren slechts weinig voorbijgangers, die niet wisten, dat de „American Company” een fictie van den houder van ’t zaakje was.
Het was ook vrijwel bekend, dat daar in de achterkamer van dat huis een patiënte met een aanstekelijke ziekte lag en dat maakte de menschen schuw, bij Ricardi te koopen. Men vreesde, dat de smetstof aan alle dasje en boorden en hemden kleefde.
Doch bepaald geldgebrek was er nog niet in huis. Marie had de diamanten ringen en de oorbellen van Jane naar de lommerd gebracht. Er giug nog altijd genoeg om in den winkel om tenminste de kosten van ’t dagelijksch onderhoud te bestrijden. Ricardi zelf verdiende extra-tjes met uitpakkingen, spel en verkoop in bordeelen. Hij beschouwde zijn vrouw al als gestorven, voelde wel dat hijzelf ’t ook niet zoo heel lang meer zou maken, had in zijn hart besloten van zijn levenstijd die hem restte, zoovéél te halen, als hij er nog van halen kon. Daarvoor was geld noodig. Hij deinsde voor geen middel meer terug om het zich te verschaffen, waagde alles, wèl er van overtuigd, dat hij, voor hij in justitie’s handen zou komen, veilig en onbereikbaar onder de aarde geborgen zou zijn.
Deze moed der vertwijfeling deed hem bij ’t spel hooge sommen wagen. Onder zijn kornuiten had hij crediet, genoot vertrouwen omdat hij tot nu toe altijd zijn eere-schulden had voldaan. Hij had geluk in ’t spel en kwam soms ’s nachts met duizenden thuis en Marie, door Jane er toe aangezet, nam dikwerf ’s nachts stil geld uit zijn zak, wat hij trouwens niet eens merkte. Want hij hield geen boek meer, was tevreden als hij met ziju hand in zijn broekzak in de tientjes en guldens kon