I 2 I
Maar sedert haar ziekte was zij energieloos, lag levensmoe op het kleine slaapkamertje, eenzaam wachtende op den dood, die haar een welkome verlossing toescheen.
Want het was maar al te waar geweest. Ricardi had bij de een of andere vrouw een geheime ziekte opgeloopen en die op zijn vrouw zoowel als op zijn winkeljuffrouw overgebracht. Jane was het zwaarst getroffen. Zij voelde het gif door al haar leden; het bloed arme lichaam, verzwakt door het gebrek aan Irissche lucht en beweging — zij had haar dagen doorgebracht in het nauwe geultje achter de winkeltoonbank en haar nachten in ’t duffe slaapkamertje, wakend en weenend, ondanks alles nog altijd haar man liefhebbend, altoos weer door hem verteederd in zijn buien van goedhartigheid en berouw, —■ weerstond noch het gif noch de straffe medicijnen, die Halma haar moest geven. Haar tanden begonnen los in haar mond te zitten, zoodat zij alleen vloeibaar voedsel tot zich kon nemen. Haar rechteroog en daarna haar linkeroog werden aangetast en zij lag nu zoo goed als blind te bed.
«Men moest den moed en het recht hebben, zulke patiënten het lijden een paar maanden te verkorten», had Halma tot De Leeuw gezegd, die trouw ziekenbezoeken bracht en bijna alles van dit familie drama had geraden. Bijna alles, want de blonde Marie verborg haar lijden. Zij gevoelde gewetenswroeging, meende dat het ongeluk in dit huis grootendeels haar schuld was en trachtte, door een liefderijke verzorging van Ricardi’s vrouw, eenigfszins haar schuld te boeten.
Zij had niemand iets van haar lijden verteld, ook niet aan Ricardi, wiens omgang zij echter voortaan meed. Maar zij zag in het lijden van Jane het voorspel van haar lijden, gevoelde dat zij dezelfde worsteling tegen de gruwelijke ziekte zou door te maken hebben. Halma, die genegenheid kreeg voor de trouwe winkeljuffrouw, die haar meesteres met zoo groote aanhankelijkheid verpleegde, die hem vaak ontving met roodgeweende oogen, had haar in ’t vertrouwen genomen, haar ingelicht omtrent den waarschijnlijken afloop van de zieke, waartegen bij een vrouw met zoo zwakke constitutie, geen kruid gewassen was. En zij, door haar robuster lichaam, langer weerstand biedend aan het gif, dat haar bloed bedierf, nam, als Jane sliep,