97
een mooie, fatsoenlijke dochter, winkeljuffrouw en drie andere nog onverzorgde kinderen . . .
En hij ouder wordend . . . afgetobd van de zorgen, met géén toekomst, géén uitzicht. . .
Daar kwam opeens het begin van ’t geluk. Molly zou trouwen met Bertels, met den rijken Bertels. Nu ja, ’t was een gescheden man en hij was protestant. Maar men kon in het leven zich de dingen niet uitknippen als de poppen uit een modeboek. ’t Was Goddank geen arm man, die ze wou hebben. En als Molly er toch zelf méé aankwam . . .
’s Middags was Bertels op bezoek gekomen, had het woord gevraagd.
«Mijnheer Bertels,» had De Leeuw gezegd, «ik ken u als een fatsoenlijk man en als een goed, degelijk koopman. Mijn Molly heeft u lief... zij heeft gróóte partijen van de hand gewezen, omdat zij uit liefde wilde trouwen. Dat zit in mijn kinderen . . . Maar ik, als vader, heb één bedenking. U moet het mij niet kwalijk nemen, maar als vader heb ik het recht u te vragen, kunt u financieel voor mijn dochter zorgen?...»
Bertels had hem gezegd, dat Molly zelve in die jaren had kunnen zien, hoe zijn zaak ging. Maar dat hij bereid was, zijn boeken aan zijn aanstaanden schoonvader te toonen.
Dat had David de Leeuw aangenomen. En ’s avonds was hij, David De Leeuw, die zelf op ’t punt stond, zich in een klein winkeltje in de Nieuwe Pijp terug te trekken, deftig en ernstig het groote magazijn van Bertels op de Hoogstraat binnen komen wandelen. Daar, op ’t kantoor, had de rijke Bertels hem zijn boeken opengelegd. Hij was ze gaan contróleeren, gewichtig, met de kennis van een zakenman, die wist wat boeken zijn. En hij had zich droevig en verheugd te gelijk gevoeld. Zou men gelooven, dat zooiets nog in het confectievak zat? Nu spreken ze er van, dat met de liefde het geluk het huis uitvliegt. Als kat en hond had Bertels met zijn eerste vrouw geleefd. Dat was bekend, ’t Was zijn schuld niet, als men een vrouw heeft die zoovéél ouder is, moet dat ten laatste op een scheiding uitloopen. Molly was tien jaar jonger dan Bertels. Dat was iets anders. Die man had behoefte aan een jónge vrouw... Zijn Molly behoefde niet bang te zijn, dat een man haar ontrouw zou worden ...
Kalverstraat. Dl. II. *7