81
alsof hij diar de toekomst zag. En zij luisterde aandachtig, volgde hem ingespannen.
«Maar Mantua . . . het is toch mooi van den Heiland, dat hij zichzelven als zoenoffer heeft gegeven, zijn bloed voor onze zonden heeft gestort...»
«Wat? Dat is een vernedering van den mensch. Of wij zijn allen onschuldig, omdat wij zondig zijn zonder onzen wil, of wij zijn schuldig, het kwaad doende met bewustheid ... En in dat laatste geval zouden wij menschen zoo laf moeten zijn, om een onschuldige voor onze zonden te doen boeten? Maar dat weiger ik. Liever verdraag ik al de kwalen van de hel tot in de eeuwigheid, alvorens ik toe zou laten, dat één onschuldige voor mij ook slechts een haar gekrenkt zou worden. Dat teekent het laffe, het karakterlooze van die tijden, toen zelfs groot begenadigde kunstenaars, diep-in ongeloovig, zich verlaagden tot slaafschen dienst van Pausen. Een godsdienst, die er op gebaseerd zou zijn, een onschuldige te doen lijden voor schuldigen, neen neen en nogmaals neen ... ik ben een mensch, vrij en mijzelf... En indien ik kwaad bedrijf en daar zou een Hoog gericht zijn, dat dit kwaad voor opzettelijke zonde, mij voor verantwoordelijk hield, dan wil ik dit kwaad boeten, ik zelf! En met hetzelfde recht als jouw Heiland van mij eischt, mijn zonden op zijn rug te laden zeg ik tot hem . . . Neen, laat mij lijden voor mijzelf en laat ik deelen in üw leed . . .
Want ook dikwerf Treesje, voel ik een ontzaggelijk medelijden met dien armen, eenzamen Christus, die gebukt moet gaan niet onder den last der zonden der menschheid, maar onder den veel grooteren last van de reusachtige lafheid dier menschheid, die er vrede in vindt een onschuldige te doen boeten voor haar schuld . . . Neen, neen, neen ... de mensch van de toekomst zal allereerst er een zijn van geestelijken moed. Hij zal zichzelf willen zijn, dat is: vrij en onafhankelijk, zoolang als hij besef heeft van dat zelf...»
Als Mantua moe was van schilderen en philosofeeren, maakten ze samen wandelingen door het Bois de Boulogne. En langzaam aan herkreeg hij dan zijn rust, proefde het geluk der uren, genoot van de schoonheid om zich heen en tegen de
Kalverstraat. Dl. II. f.