75
«Wel... ik zou als ’t dan bepaald moet, het willen leenen .... voor een week, voor een jaar, voor tien jaar desnoods. Maar na dien tijd moest het altijd weer mijn eigendom worden en na mijn dood zou het in een museum moeten tentoongesteld worden op de plaats, die ik daartoe had bestemd ... Is het niet een gruwelijke onrechtvaardigheid, dat men zijn adellijken titel niet kan verkoopen, maar dien hoogeren, echten adel, de in lijnen en tonen en tinten weergegeven zielenadel wél?»
Zij hoorde hem aan en had hem lief om deze grootschen en toch weer kinderlijken eerbied voor zijn kunst.
Maar Desgranges vatte het anders op, toen hij zoo tegen hem sprak. Hij had verwacht, dat beiden in hem hun redder zouden zien, hem groote dankbaarheid zouden betuigen, hem een aanzienlijk geschenk zouden geven. Mantua dacht er niet aan. Hij beschouwde het geheele verhaal van prinses Wilheb mine en Jolie-Mine als een ongepaste en voor zijn geliefde beleedigende grap. De tentoonstelling zijner werken en de prijzende critiek van zijn arbeid meende hij, was zijn recht en hij behandelde Desgranges zoowel als de directeur met een soort breede neerbuigendheid.
«Cet homme ne comprend pas ce qu’on a fait pour lui» riep Desgranges verbaasd en vertoornd tegelijkertijd, uit.
«Neen, hij is slimmer dan wij bij elkaar. Let op!» meende de directeur.
Desgranges' raadgeving om hooge prijzen te rekenen werd door Mantua met een koel: «Maar ze kunnen immers niet
betalen, wat mijn werk waard is», ontvangen.
De kinderlijke grootheidswaanzin, die Mantua levenslang verhinderd had bekend en gewaardeerd te worden, die hem er toe had geleid zich van de wereld af te sluiten en zijn arbeid alleen voor zichzelf te behouden, was thans maatschappelijk zijn redding. Want nu gaf zij hem een overwicht, leidde er toe, dat hij van ’t gunstige oogenblik, dat eindelijk gekomen was, alles verkreeg, wat er maar van te verkrijgen was.
Men wilde de afbeeldingen van Jolie-Mine bezitten en kocht ze dus, niet lettend op de prijzen. De kunstkoopers, die hem te voren zelfs het opbinden van de lusjes van zijn portefeuille niet toegestaan hadden, anti-chambreerden nu bij hem in ’t Grand-