67
Tarijsche koetsiers, dat een schande was voor de publieke straat, den kinderen de gemeenste scheldwoorden leerde en een beleediging was voor ’t oor der fatsoenlijke vrouwen en meisjes ... Niets waard . . . Wie schreef over de koetsiers . . . Dat was goed voor het Petit Journal of de Intransigeant. Hij zou iets schrijven over de brutaliteit der lichte vrouwen, die door blik en gebaar tot de grofste onzedelijkheid aanspoorden . . . Wie • daarover schreef, heette in Parijs dadelijk Tartuffe. En hijzelf immers gaf, als hij in een betere bui dan vandaag was, lonkjes en knikjes terug. Er kwamen een paar menschen uit de provincie voorbij, een vader, moeder en twee zonen, kenbaar aan de frissche, gebruinde gelaatskleur en den snit van hun te nieuwe kleeren. Als hij eens een artikel schreef over de gevaren, waaraan de naiëve provinciaal in Parijs is blootgesteld ? Hoe van alle zijden de provincialen worden bedrogen en beschouwd als lieden, die men kan afzetten . . . Niets waard. De Parijzenaar in de provincie wordt veel meer afgezet en de Parijzenaar wil den provinciaal altijd als een komische type voorgesteld en beschreven zien . . .
Lusteloos en vermoeid drentelde Desgranges voort. Beroerd, dat je afhankelijk was van inspiratie, van iets geheel toevalligs. Je kondt niet met geweld op een goed idéé komen. Dat moest je aanwaaien. Soms had-ie dagen, dat de leuke invallen zoo maar in hem opkwamen, opééns, zonder dat hij er eenige moeite voor had te doen. Op andere dagen was hij dof en mat, pijnigde zichzelf te vergeefs om een simpel aardig ideetje. Kom, hij zou maar in ’t Grand-Hótel een beetje .in de leeszaal gaan zitten en illustraties en couranten doorkijken. Misschien vond hij dan wel ’t een en ander dat, handig gecompileerd, op wat nieuws leek.
Hij hield een koetsier aan, die met een leeg open rijtuigje maraudeerde, sprong in ’t koetsje en liet zich, oververmoeid van ’t slenteren en peinzen, naar het Grand Hotel rijden, betaalde, liep de poort in. ging naar de leeszaal en viel neer in een causeuse.
.Lusteloos nam hij een portefeuille op, die voor hem lag. Natuurlijk l’Illustration. Die had hij al doorgezien ... o neen ... ’t was de nieuwe. Hij sloeg de portefeuille open, bekeek de groote plaat op de eerste bladzijde. «La princesse Wilhelmine de Hollande.»