< Geef op!»
Hij nam het briefje met een ruk uit haar handen.
«No. 17. Ben jij No. r 7 ?»
«Ja, mijnheer.»
«Mijnheer de patroon ... ik ben mijnheer de patroon en als je dat niet kan zegden, kan je meteen wel opdonderen.. . Ben je No. 17?»
«Ja, mijnheer de patroon.»
«Zoo... 12 rokken in de eerste staat, 4 blouses in eerste
staat, 7 mouwen in eerste staat, samen f7,50.»
Hij telde het geld langzaam uit, grissend met zijn handen door het zilver.
«Dat is een hoog loon, dat je krijgt voor één week... Dat is kolossaal. . . *
«Als ’t allemaal verdienste was mijnheer. . . . Maar ik heb wel een daalder kosten en ik moet mijn zusje en mijn moeder ook er nog van betalen. . .»
«Wat gaat mij dat aan... Je mag mij op je knieën danken, dat ik je dat laat verdienen. . . Pak weg. . .»
Hij schoof het geld naar heur toe. Zij, onderworpen en slaafs, telde het na in de magere hand en hij zag met genoegen de doorprikte topkussentjes van den zwarten wijsvinger der linkerhand. Zij wilde heen gaan met een zachtgedwee en toch nog gelukkig: «Dank u.»
Hij riep haar terug.
«Dank u. mijnheer de patroon. Kennen jelui dat niet in jelui hardleersche koppen krijgen ? Ik wil, dat jelui eerbied en achting voor mij hebben. Ik zal boeten gaan stellen op de onbeleefdheid.»
Zoo zat hij een paar uur Zaterdagavonds in zijn kantoor en betaalde uit. Daar was er niet een, die hij niet een grof woord toesnauwde. Er kwamen moeders van groote gezinnen, jonge meisjes pas van school, manke meisjes, gebulten, die geen betrekking als dienstbode konden vinden, en maar heel zelden was er onder al die afgetobde huisnaaisters een vrouw, die er wat beter en gezonder uitzag Dan grimlachte hij en dacht: < Die speelt er de hoer bij!» en had er pret over. Met de mannelijke arbeiders wilde hij niets te doen hebben. Die wer