47
Ik zelf heb mijn vader nooit gekend en ik ben er blij om. Want daardoor ben ik levenslang vrij en mijzelf geweest. Vaderzorgen zijn een duur kapitaaltje, dat met woekerwinst moet afgelost worden. Alle vaders zijn tyranniek, laten niet leven, voelen in hun zonen het afsterven van het eigen leven, willen hun kinderen dwingen het eigen leven af te leggen en het hunne vóórt te leven. Maar de moeders lossen al van ’t eerste oogenblik aan, zich zelve op in het nieuwe leven van het kind, offeren bij elk kind een deel van haar lichaam en ziel ...”
Hij wachtte even.
,,Laat je arm een klein beetje zakken en je knie, je rechter knie eventjes doorbuigen... Zoo... een oogenblikje maar...” Weer doorteekenend, zacht-arceerend de schaduwpartijtjes, die 't licht doezelde in de kuiltjes van enkel en kniesprong, begon hij weer:
,,Wanneer de vrouw zal regeeren, niet meer met de kleine middelen van de zwakste, die ’t slimste moet zijn, maar loyaal en krachtig, als de sterkste door zielsvernuft, door harte-intelli-gentie, door fijn gevoel, zal de groote ineensmelting van alle rassen en volkeren komen, het duizendjarig rijk van vrede, waarvan zoolang gedroomd is. Want het is het belang van den man, van den bezitter der dier-kracht, van den natuur-mensch, dat hij zorgt voor het voortbestaan van de noodzakelijkheid van de lichaams-kracht, van het vuist-recht, van het overwicht der grovere spieren en lichamelijken moed. De instandhouding der staatkundige grenzen der landen, de cultus van het nationale, de verdringing van andere rassen uit hun geboorte-plaats, zijn zijn werk. Het is het beroep van krijgsman, welks uitoefening hij voor zichzelf mogelijk moet maken, dat hem er toe drijft, de vijandschap der rassen en volkeren te laten bestaan. Maar de vrouw, die alle lichamelijke ruwheid haat, zal den weg van zachtheid, opoffering, waardeering en liefde vinden, die de menschheid tot één schoon geheel zal maken
,,Maar dan zullen de mannen verweekelijken!” — durfde zij bescheiden te antwoorden.
,,Dat is een mannelijke uitdrukking . . . Hooghartig noemen de ruwe mannen een zacht en teeder man verwijfd. Maar alle groote mannen, alle mannen met fijn gevoel, zijn zoo verwijfd