42
zilveren lepel, die zij bij haar twaalf-uurtje gebruikte. Hij stak de vork en de lepel in zijn mond, likte ze af. Zij had eens, toen het te warm werd, een onderlijfje uitgetrokken en het in een papier gewikkeld, ’s Avonds had zij het vergeten mede te nemen. Hij had het gemerkt, er op geloerd, het weggenomen en lag er den heelen nacht mede te bed, het drukkend tegen zijn borst en het kussend in schrijnende hartstocht.
Maar zijzelve bleef voor hem ongenaakbaar. Toen hij jarig was, gaf hij een feestje aan 't personeel. Hij schonk op ’t magazijn boven overmatg veel wijn, hopend dat ook zij wat méér zou drinken. Hij legde het er op aan, dat zij oud-Hollandsche spelletjes zouden doen, deed alsof hij een beetje boven zijn theewater was, liet ze een patertje langs de kant dansen, hopend zoo een zoen, één enkele zoen van haar te kunnen krijgen.
Maar Molly liep naar beneden en kreeg een dankbaren blik van mevrouw Bertels.
Thuis zei ze niets van t green in den winkel ginds voorviel. Zij werkte stil en onverzettelijk aan haar plan. Maar zij was opgewekt, zong ’s avonds thuis, stond met helder lachen op, was de zonneschijn in huis.
«Zie je wel,» zei De Leeuw tot zijn dochter, «dat het niet zóó verschrikkelijk is, zijn eigen brood te verdienen.»
«Als er maar wat van kwam!» zei Stijntje. «Mij dunkt, zij krijgt zoo weinig aanzoek. Zoo’n knappe meid in zoo’n grooten winkel moest toch méér de aandacht trekken. Er komen zooveel handelsreizigers of knappe agenten of zonen van winkeliers bij Bertels. Dat er onder allen niet één is, die zijn oog ’ns op jou laat vallen.»
Maar zij lachte stil en haalde de schouders op.
«Mijn een zorg. ’k Verdien nu toch mijn brood, ’k Kan zoo n armen slokkert, zoo'n staaltjesbedelaar, missen als kiespijn.»
En zij overpijnsde, hoe zij den rijken Bertels zou krijgen, of ze zich met hem zou doen betrappen of zich niet geven, vóór hij dat gore wijf van 'm «er uit had gebonjourd.»