30
«Ouwe Loei! Ouwe Loei!» schreeuwde de proleet over het water. Zijn stem schalde en hij bukte zich, om opnieuw een steen te gooien, zich veilig voelend aan de overzijde van ’t grachtje.
«Ik ga met je mee, waar je in de wereld heen wil Mantua. Ik ben niet bang mèt jóu . . . Misschien wordt je daar eerder beroemd dan hier ...»
«Goed . . . dan gaan wij naar Parijs ...»
Hij keek op. Twee deftig gekleede jonge dames kwamen hun tegemoet. Ze zagen het paar, Mantua's baret en vlak voor de twee, proestten ze het uit van schik.
«Zie je,» zei Mantua, «dat zijn de betere standen ... Al even kleinzielig . .. Die zijn erger, dan die meiden straks op de Leliegracht. . . Dat waren lui uit het volk . . . die moet je veel vergeven . . . maar dat is de beschaafde stand . . . die hebben geleerd . . . die moesten besef hebben van het recht op vrijheid voor elkeen . . . Want ’t is niet alleen mijn baret,
die haar hindert ... ’t is ook haar meening, dat wij niet bij
elkaar hooren . . . dat ik te oud voor je ben ...»
Hij werd driftig.
«Wat raakt het die nuffen, of ik oud of jong ben . . . Als
wij elkaar lief hebben, als wij met elkaar door ’t leven willen
gaan. hebben zij dan ’t recht ons op straat te beleedigen?» ...
En zich half omkeerend riep hij ze, in woede: «Nuffen, Nuffen ! Nuffen ! >
Voortgaande naast haar, mompelde hij: «Kleinzielig Hol-
landsch plebs. . . Bekrompen, vijandig gespuis... Aanrandsters van de Hollandsche vrijheid . . . verbasterd, verlamlendigd geslacht . . .
Wat hebben jelui nog in jelui van het groote volk, dat in Amsterdam Polen in bont, Perzen, Mooren en Arabieren zag wandelen over den Dam, elk latend in zijn geloof en zijn gewoonte ?. . .»
«Misschien hebben ze Rembrandt in zijn tijd ook wel net zoo nageroepen !» trachtte Treesje hem te troosten.
«W’ees maar gerust... ik zal mij niet langer driftig maken ... ze zijn het niet waard . . . kom . . . laten wij naar huis gaan... ik zal mijn ouden hoed maar weer opzetten ...»