140
zelfs de mooie rozen, die in de vazen stonden, koud, dood, harde, wezenlooze dingen, die haar niets zeiden.
Vlissingen liep naar de overzijde, om zijn vrouw te vertellen, wat er gebeurd was. Treesje zag hem met een kouden, onverschilligen blik na. Voor ’t eerst voelde zij den afstand tusschen haar en haar ouders. Tot nu toe was het altijd een soort liefderijkheid geweest, die stralend van uit haar ging, begrijpend de moeder in haar klein gedoe van werk-slooije, haar vader in zijn onontwikkeld maar goedmoedig en eerlijk leventje van naar hooger strevenden kleine-burgerman. Maar nu voelde zij den afgrond tusschen de onbeschaafde ouders en hun beschaafd kind. Er was iets vijandigs in dien breedgeschouderden, vierkanten vader met zijn stuggen, hardnekkigen wil tegen de hare, in die laag staande moeder, die zij nooit anders gezien had dan ploeterend, uitzuinigend, narékenend met halve centjes . . .
Maar daarna weder kwam in haar een groote weemoed . . . een wijde, breede smart, omdat zij die twee daar nu zooveel verdriet zou gaan doen ... of neen . . . zij moest haar weg gaan en het verdriet kwam niet van haar zijde, maar van hun eigen domheid en vooroordeel . . . Waarom mocht zij Mantua niet liefhebben! . . . Waarom verzetten zij zich daartegen ? . . . Het was immers haar keus. Zij hield van hem . . . Wat hadden daar anderen mee noodig ? Mantua . . . waar was Mantua nu ? Arme man ... Ze hadden hem nagejonwd ... Ze hadden hem met vuil gegooid ... O, juist toen dat vuil tegen zijn hoed aankwam, had zij zijn oogen gezien . . . Dat ontzaggelijke lijden er in! . . . Zóó moesten de oogen van Jezus geweest zijn, toen hij voor Pilatus stond . . . Waar zou hij nu zijn? Zou hij naar huis zijn gegaan?.. . Zij wist, dat hij op de Leliegracht woonde. Het nummer had hij nooit gezegd, maar wèl, dat hij op de oude woning van Potgieter uitzag . . . Zij moest naar hem toe ... zij kon niet langer hier blijven . . . Maar de openingsavond! En de nieuwe zaak! . . .
Zij keek even rond.
,,Ja, het zag er wel net uit . . . Hij had het zoo mooi gemaakt . . . Maar zij zou hier toch niet gelukkig kunnen zijn . . . Zij kón, zij wilde niet meer leven zonder hém ...»
Zij nam een paar Roses de P'rance uit een vaas, stak ze op