120
Een paar avonden voor dat de patroon terug zou komen, zat hij onder haar toezicht een journaal met een memoriaal te vergelijken. Werktuigelijk telde hij de bedragen na . . .
«Dat komt niet uit!» zeide hij.
«Dat moet uitkomen ... je hebt je zeker verteld ...»
Hij telde nog eens . . . néén hier staat een vier en 't moet een zeven zijn . . .»
Zij telde na . . . hij had gelijk.
«Dat is erg . . . zoo’n fout maakt een heel boek in de war . . .»
Maar hij telde alweer op ’t volgende blad . . .
«Dat is ook verkeerd... Daar staat als debetsom drieduizend acht-en-veertig en het is vierduizend acht-en-veertig . . . Dat is duizend te weinig.»
En zij bleven tot laat in den nacht rekenen.
De geheele boekhouding was in de war ... En hij, gebruik makend van de gelegenheid, nam alle boeken, sloeg ze open, las de namen en de cijfers, maakte kleine teekentjes op zijn manchet om later zijn geheugen te hulp te komen.
«Dat is vreeselijk . . . vreeselijk . . . oom zal er van schrikken . . . Hij heeft alles aan den chef overgelaten . . . een man die twintig jaar in zijn zaak is en . . . en . . .»
Zij wachtte even, keek Hirschfeld in de oogen.
«Hirschfeld . . . kan ik je vertrouwen?»
«Mij ?... Ik vlieg voor u door ’t vuur ...»
«Ik geloof, dat oom vreeselijk bestolen is ... en wie weet, hoe veel jaren al . . . Vertel niets . . . laat niets merken ... tot oom terug is ...»
Hij dacht er niet aan, wat anders te doen, dan zij hem beval.
Zij seinde naar haar oom. Toen hij thuis kwam, riep zij hem dadelijk alleen. De bedienden keken op, gaven elkaar oogjes, loensoogden naar Hirschfeld . . . die werd een poosje later boven geroepen.
«Daar zal je het hebben» zei de chef. «De Mof heeft de nicht van den patroon aan den haak gepikt. Je moest zulke kruipers kunnen doodtrappen, zoodra je ze ziet . . . Want ze brengen niets dan ongeluk ...»
Doch een paar minuten later werd hijzelf boven geroepen. Toen hij de matglazen deur van het privé-kantoor had open-