99
stemmige en harmonische omlijsting. Binnen had hij de wanden in teer-geel gehouden in vakken met randen van groene, ge-styleerde distels.
Het winkeltje was klein met een opkamertje achter en daaronder een ander, laag kamertje, dat met een venster, achter het öptrapje uitkwam. Dan was er nog een klein keukentje en een klein plaatsje. Het huis had drie verdiepingen van telkens twee kamertjes en een keukentje. Daar ging de familie Vlissingen wonen en juffrouw Vlissingen was al een week bezig met het schoonmaken. Zoolang Treesje eiken dag naar Haarlem ging, bleef Vlissingen in den winkel. Hij zat achter de toonbank in het nauwe geultje, waar hij zich niet bewegen kon, als vastgemetseld.
„Zij moeten geen „volk” in een winkel roepen,” dacht hij, „maar zij moeten meteen bediend worden en altijd den patroon zien. Als ze koopen, denken ze, dat ze een weldaad doen en ze willen zien aan wicn ze de gunst bewijzen. Dat is de fout van De Leeuw. Die man is tegenwoordig te veel van huis.”
Maar ondanks zijn zorgzaam oppassen, verkocht hij minder dan wanneer Treesje er was en vooral als er deftig publiek koopen kwam, voelde hij haar gemis. Want Treesje was thuis in de fijnere soorten aardewerk, kristal en porselein, wist het aan te praten, nam de menschen in. Daarom peinsde hij er over Treesje maar in den ouden winkel te laten en voor den bloemenwinkel een winkeljuffrouw te nemen. Het gaf hem een aangenaam gevoel, dat hij eindelijk er toe zou komen, een ondergeschikte in zijn winkel te moeten hebben. Langzaam aan. Langzaam-aan. Als hij zag, dat de bloemen goed gingen, had hij wéér een ander plan.
Ze spraken er in den Raad over, om het Spui te dempen. Dat zou een mooie, breede straat worden, een drukke weg tusschen de Kalverstraat en het Rokin. Dan zou de loop in de Taksteeg verminderen. Dat hinderde niet zoo héél veel voor zijn oude zaak, omdat die ’t toch al voornamelijk van de klanten had. Wat hij zoo aan voorbijgangers verkocht, was niet veel zaaks. Maar de bloemenwinkel moest zijn klandizie nog maken.
Hij zou. als ’t meeliep, het huis achter zijn huis, dat tot aan ’t Spui doorliep, koopen en dan zijn winkel dóórtrekken. Zóó zou hij opeens uit de steeg in de groote straten komen. Hij