82
zwarte Mokka, bood Hans en haar man uit een zilveren Chineesche doos met draken versierd, cmaretten aan, stak er zelve een op, ging op een hoog verguld stoeltje zitten, sloeg de beenen over elkaar en liet Hans even haar kleinen voet in bronslederen schoentjes zien, den fijnen enkel en de dikke kuit. Toen weer dadelijk de rok er over schikkend, zei ze, met haar ronde, bruine oo^en in de ooofen van Hans blikkend:
„Zoudt u Faust nu willen voorlezen ... ik bedoel, het begin.”
„Gaarne mevrouw, tenminste als ik het zoo maar op ’t eerste gezicht zal kunnen.”
De notaris gaf hem uit de kleine boekenkast een in rood marokkijn gebonden deeltje.
„Dat is het eenige werk van ten Kate, dat Martine in haar pruilhokje heeft...” zeide hij, hem ’t overreikend.
„En gelukkig maar een vertaling!” hoonde zij.
Hans begon te lezen. Zij zat tegenover hem en Hans voelde haar oogen. De notaris had een sigaar opgestoken en luisterde met het gemelijk gelaat van iemand, die onwillig iets over zich heen laat gaan. Maar Hans, spoedig geheel er in, was opgestaan, hield het boek met een hand voor zich uit, maakte met de rechterhand gebaren, liet zich gaan op den dreun van zijn stem, zijn volle, krachtige, jonge stem, die hij zelf hoorde als was zij niet de zijne, maar die van een ander.
Toen te kwart voor acht het rijtuig voorkwam, was hij tot aan het vierde bedrijf gekomen. De notaris was in slaap gevallen, maar haar oogen waren schitterend, vragend, verlangend, ondeugend.