stalletjes en der met moeite gehaakte en gebreide, weinig origineele handwerkjes, die wat armoedigs hadden. De modellen en ontwerpen waren bijna allemaal betrokken uit de drie, vier handwerkjeswinkels te Nijmegen en te Arnhem. Het was al bijzonder gewaagd als een enkele familie wat wit houten voorwerpen, met onhandige ,,Brandmalerei” exposeerde of wat boersche Noorsche motieven in bruin en groen.
,,Maar mevrouwtje-lief, u komt nooit gereed. Geloof mij, het valt altijd tegen,” zei barones Talinga ten Horst, de presidente van ’t bestuur der bazar, een paar dagen voor de opening.
„Morgen ochtend begin ik; het is zoo erg moeilijk voor mij. mijn lieve moeder alleen te laten; ’k heb haar in de laatste dagen al zoo dikwijls moeten ver-waarloozen.”
’s Morgens kwam zij. Zij had.eerst door den schrijnwerker en drie knechts thuis alles laten opstellen, zooals het behoorde. Toen was nauwkeurig aangegeven waar elk doosje zou geplaatst worden, hoe de kleuren zouden worden genuanceerd en zij had nu Leonard geroepen, die haar raden moest en in de wolken was over al het moois. De handwerkjes van mama waren in een glazen vitrine met nikkelrandjes geëtaleerd op kleine, gedraaide withouten steunsels. Voor, tegen het glas, was met verzilverde glazen letters een opschrift aangebracht: „Inzending van douairière Marianne de Clermont.”
Maar heur lichtblauw kleed had zij nog niet aangetrokken. Zij liep zelve met den tuinman door de serres en liet hem de bloemen afknippen, die als versiering voor haar étalage noodig waren. Zij koos