175
ze jouw schouders, jouw vormen, kortom ik vertoon de lichamelijke eigenschappen van mijn vrouw en ze brengen mij geld en kransen en roemen mij in hun kranten
„Wat een zedepreek op den vroegen morgen. Wat kan het jou schelen of de wereld vuil is ... . waarom wordt je er kwaad om .... wij zijn immers zelf ook vuil en wij passen er dus in . . . .”
„Vuil.... wij?” vroeg hij onthutst.
„Laat ons voor onszelf waar zijn,” zeide zij, voor ’t eerste eenvoudig .... „Die geheime drijfkracht waarover jij mij eens schreef, heb ik ook in mij. En dat bracht ons samen en dat houdt ons samen. En die naar ons komen zien, al die het theater bezoeken om hun zinnelijkheid te streelen of aan te vuren of hun fantaisie op onze lichamen te ontvonken .... die hebben ook die geheime drijfkracht. Wij zijn niets beter dan zij, zij niet beter dan wij. Ik geniet als ik ze allumeeren kan en zij schijnen er pleizier in te vinden zich te allumeeren aan mij .... en op een droogje naar huis te gaan naar moeder de vrouw, de onbewuste sloof, die wel goed genoeg is om dan hun lust te koelen . . . .”
„Dus jij vindt het heele theater vuiler dan het vuilste bordeel?”
„Ons theater, ja. Maar dat is juist mijn pleizier.. ..
Als er in Nederland een publiek bestond van men-schen, die werkelijke kunst op de planken wilden steunen, dan zou het tooneel heel iets anders kunnen worden. Dan zou het niet zijn, zooals van Deyssel eens schreef, het ideale bordeel, maar het zou weer worden, wat het oorspronkelijk is geweest, de heilige,